Je stapt op de weegschaal en die geeft aan: 24,3 procent vet. Twee dagen later is het 26,1 procent. Terwijl je niks geks hebt gedaan.
Goed nieuws: je bent niet ineens dikker geworden. Slecht nieuws: je weegschaal weet het eigenlijk ook niet.
Hoe komt dat verschil nu?
Hoe meet zo’n weegschaal je vet- en spiermassa?
De metalen plaatjes onder je voeten sturen een zwakke stroom door je lichaam. Bij sommige modellen loopt die ook via handvatten. De weegschaal meet hoeveel weerstand de stroom onderweg tegenkomt.
Je voelt daar overigens niks van.
Spieren bevatten veel water en laten stroom makkelijk door. Vet bevat weinig water en houdt stroom meer tegen. Veel weerstand betekent dus: waarschijnlijk meer vet.
Daarna volgt een rekensom. De weegschaal gebruikt de gemeten weerstand, je gewicht en wat je van tevoren hebt ingevuld: lengte, leeftijd en geslacht. Een formule maakt daar een vetpercentage van. Die formule is gebaseerd op gemiddelden van grote groepen mensen.
Het getal op het scherm is dus geen meting. Het is een schatting van een schatting. De weegschaal schat eerst hoeveel water er in je lichaam zit. Daaruit berekent hij hoeveel je weegt zonder vet. Wat overblijft, noemt hij vet.
Let op: wat je weegschaal ‘spiermassa’ noemt, is meestal alles wat geen vet is. Dus ook water, botten en organen. Het zegt niet precies hoeveel spieren je hebt.
Waarom het getal alle kanten op schiet
De weegschaal meet weerstand en die hangt vooral af van water. Verandert de hoeveelheid vocht in je lichaam, dan verandert ook de uitkomst. Een paar dingen die het getal laten schuiven, zonder dat er een gram vet bij komt of afgaat:
- Drinken. Een paar glazen water maken je zwaarder. Maar dat water zit eerst nog in je maag en daar komt de stroom niet langs. De weegschaal ziet wel extra gewicht, maar geen extra vocht. Dus telt hij het op bij je vet. Heb je juist veel minder gedronken dan normaal? Ook dan klopt het getal niet.
- Eten. Hetzelfde geldt voor een maaltijd. Je bent even zwaarder, maar de stroom door je benen merkt daar niks van. De formule moet dat extra gewicht ergens kwijt en dat wordt vaak ‘vet’.
- Training. Na het sporten zijn je spieren warm en goed doorbloed. Daardoor gaat de stroom makkelijker en kan je vetpercentage lager uitvallen. Heb je veel gezweet, dan kan het juist andersom uitpakken. Meet dus nooit vlak na je training.
- Tijdstip. Overdag beweeg, eet en drink je. Een meting ’s avonds geeft daarom een heel ander getal dan een meting ’s ochtends.
Er is nog iets. De meeste weegschalen voor thuis meten alleen via je voeten, zonder handvatten. De stroom gaat dan van je ene voet via je benen naar je andere voet. Je buik en bovenlichaam doen nauwelijks mee. Heb je vooral vet rond je buik? Dan mist de weegschaal juist dat stuk. De rest is een weer schatting.
Klinkt niet echt betrouwbaar, toch?
Hoe meet je dan wel of je vooruitgaat?
Je hebt geen dure weegschaal nodig. Een paar simpele dingen vertellen je meer en zijn nauwkeuriger.
- Omtrek: pak een meetlint en meet je taille, heupen en bovenbenen. Eén keer per twee weken is genoeg.
- Kracht: til je meer, kost het je minder moeite of doe je makkelijk meer herhalingen met hetzelfde gewicht? Dan ben je sterker geworden. Zeker als je afvalt, is dat een goed teken dat je je spieren behoudt, of zelfs opbouwt.
- Foto’s: maak elke maand foto’s in dezelfde houding en in hetzelfde licht.
- Kleding: zit je favoriete broek losser? Dan verlies je waarschijnlijk vet, ook als het getal op je weegschaal niet verandert.
- (Slimme) weegschaal: gebruik hem vooral voor je gewicht. Weeg jezelf zoveel mogelijk steeds op dezelfde manier: ’s ochtends, na het toilet, voordat je iets eet of drinkt. Kijk naar de lijn over een paar weken, niet naar één dag of week.
Wil je toch de ‘slimme’ functies van je weegschaal gebruiken? Meet dan steeds op hetzelfde moment en kijk ook hier naar de lijn over een paar weken, niet naar het precieze getal.
Samengevat
Je slimme weegschaal is niet zo slim, prima om je gewicht bij te houden. Tenminste als je dit elke keer op dezelfde manier doet. Het vet- en spierpercentage kun je beter niet te serieus nemen.
Wil je weten of je vooruitgaat? Combineer een meetlint, foto’s, progressie in sportschool en een kledingstuk die nu nog niet lekker zit.
Externe bronnen
- Kyle e.a. (2004). Bioelectrical impedance analysis, part II: utilization in clinical practice. ESPEN-richtlijn: BIA werkt alleen goed met een formule die past bij leeftijd, geslacht en afkomst, en bij een stabiele vochtbalans.
- Lazzer e.a. (2003). Evaluation of two foot-to-foot bioelectrical impedance analysers. Twee Tanita-weegschalen vergeleken met een DEXA-scan bij jongeren met overgewicht: grote fouten per persoon, en meer naarmate de verhouding taille-heup groter is.
- Guedes & Kohler (2006). Estimation of body fat using arm-to-leg and leg-to-leg BIA. Een Tanita met alleen voetplaten meet het onderlichaam, een meting via hand en voet het hele lichaam. Per persoon liepen de uitkomsten flink uiteen.
- Algül & Özçelik (2022). Effects of hydration and dehydration status on body composition analysis using BIA. Na elke halve liter water steeg het gemeten vetpercentage.
- Cho & Lee (2021). Effects of urination, aerobic exercise, food and water ingestion on body composition measured by segmental BIA. Plassen, eten, drinken en 30 minuten cardio veranderen de uitkomst.
- Grgić e.a. (2016). Variations in metabolism and body composition estimates throughout a day. Het vetpercentage van een Tanita verschilt over de dag, een huidplooimeting niet.

